A. Periode tot circa 1920.
Een overzicht van deze situatie is op onderstaande afgebeelde foto te zien.
Niet alleen beyjndt zich de houthandel aan de haven, maar ook een gedeelte van de hooiperserij is nog aan de noordkant van de winterdijk te vinden. Ten oosten van het versmalde havenhoofd aan de noordkant van de Winterdijk staat allereerst het oude kantoor (met kluis). Dit havenhoofd was tevens de eigenlijke uitloop van de Hogevaart. Hier bevonden zich ook de vloeddeuren, die bij dreigend hoog water van buitenaf vanzelf door hoog opkomende water gesloten werden en daarna door het waterschap met lieren weer opengetrokken moesten worden (ook bij de Capelse haven, waar de Vier Heultjes in de haven uitkwamen, was een dergelijke sluisConstructie te vinden, maar dan met horizontaal scharnierende klepconstructie) Dan volgt de smalle toegang tot het bedrijf (in noordelijke richting, verder langs de haven af) Aan de oostkant van de ingang bevindt zich, ook pal tegen de dijk, een L-vormige loods. De westkant wordt gebruikt voor kalk en cementopslag, de oostkant voor houtopslag. Het hout wordt hierin verticaal opgeslagen zodat een betere droging en minder krimpvervorming gegarandeerd worden. Later zal deze aan de oostzijde worden uitgebouwd tot de vorm zoals deze nog steeds aanwezig is. Ook de zogenaamde Oslo sparren worden hier dan opgeslagen. Hoewel deze maar een gering deel uitmaken van de omzet, zijn ze opmerkelijk genoeg om er even melding van te maken. De lange, kaarsrechte stammen hebben dusdanige goede eigenschappen, dat ze zich uitstekend lenen om er ladderbomen en vlaggenmasten van te maken. Ten noorden van genoemde houtopslag is de veel grotere hooiperserij te vinden. Tussen hooiperserij en de haven, juist voor de versmalling naar het havenhoofd, bevindt zich de weegbrug, die voornamelijk wordt gebruikt voor het hooi en stro. Veel later zal er ook pulp en dergelijke mee gewogen worden, die via de haven wordt aangevoerd. Meer bedrijfsgebouwen zijn er dan nog niet. De activiteiten van de hooiperserij stoppen rond 1920 als gevolg van de niet alleen afnemende kwaliteit: het hooi wordt ongewenst minder schraal en dus voor minder geschikt voor paarden wegens de steeds betere ontwatering van de schrale gronden rond Labbegat. Bovendien rukt de motorisering steeds verder op ten koste van het vervoer met paard en wagen. De hooiperserij wordt beëindigd en wordt voortaan gebruikt als houtopslag.
Een aardige wetenswaardigheid uit deze periode betreft de drinkwatervoorziening van Labbegat. Tot de eerste wereldoorlog haalde men het drinkwater uit de Hogevaart, maar door de toenemende vervuiling braken steeds meer ziekten uit onder de bewoners rond Labbegat. Daarom laten de Oerlemansen zich aansluiten op het drinkwatemet, waarvan de leidingen helemaal vanuit Besoyen moeten worden doorgetrokken.