GROTE BRANDEN IN SPRANG
H. Michael,
C.N. Schalkwijk
T.M. Vos
Werkgroep ‘Branden’


Wanneer in vorige eeuwen en ook nog in het begin van deze eeuw ergens in de gemeente in een woning of ander gebouw brand uitbrak, dan had zulks in niet weinig gevallen catastrofale gevolgen. Stond een pand éénmaal in brand dan was het vrijwel uitgesloten dat het vuur nog geblust kon worden. Als gevolg van het gebrekkige brandblusmaterieel van die tijden, het ontbreken van een georganiseerde brandweer (Zie ‘Bruggeske’ 1988, no. 2, pag. 26 e.v.)  maar vooral het gemis aan bluswater - want van waterleiding was toen nog geen sprake en het bluswater moest steeds met emmers uit put, sloot of pomp aangedragen worden naar de perspomp - viel er over het algemeen maar weinig te redden en moest men veelal lijdelijk toezien hoe het pand volledig in de vlammen opging. Door de rieten dakbedekkingen beperkte een brand zich meestal niet tot één huis of schuur, en vooral wanneer een harde of tot storm aanwakkerende wind de vonken tot ver in de omtrek van het brandende pand over de daken van de huizen joeg, vielen dikwijls meerdere panden ten offer aan het vuur.
Veel gezinnen werden dan dakloos, want in één pand woonden soms 2 of 3 gezinnen en één gezin bestond soms uit 8 of 10 personen. Het leed, de kommer en armoede, die daar het gevolg van waren, laten zich moeilijk beschrijven. Geen wonder, dat de plaatselijke keuren of politieverordeningen veel bepalingen inhielden ter voorkoming van brand. Maar moeilijk is te begrijpen, dat er toch nog zoveel gevallen van brandstichting voorkwamen. Het aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa maakt melding dat in het jaar 1839 in Sprang verscheidene malen moedwillige brandstichting werd geconstateerd, onder andere in de nacht van 13 en 14 december van dat jaar. Twee huizen werden toen in de as gelegd. Drie jongelui, die zich daaraan hadden schuldig gemaakt, werden door de rechtbank te
 's-Hertogenbosch wegens deze brandstichting ter dood veroordeeld. De Koning heeft toen gratie verleend en de straf omgezet in geseling , brandmerken en 20 jaren tuchthuisstraf. Aan de brandstichtingen was daarmede toen een einde gekomen.
In ‘Bruggeske’ 1987, no. 2, pag. 45 e.v. is in een artikel over ‘De Molen van Sprang’ reeds vermeld hoe op 1 april 1855 de windkoren- en schorsmolen van de molenaar Paulus Hendrijk Rijnders afbrandde. De oorzaak van de brand is niet bekend. De Rotterdamsche Brandwaarborg Maatschappij, waarbij de molen verzekerd was, betaalde hem f 4.500,-- schadevergoeding uit.
Het jaar 1864 is opnieuw een triest jaar vanwege moedwillige brandstichtingen. 10 branden hebben er in Sprang in dat jaar plaatsgehad. 18 huizen en 8 schuren met een geschatte waarde van f 37.700,-- werden een prooi van de vlammen. Als waarde van de verbrande inboedels, hooi en granen werd opgegeven f 23.850,--. Van deze bedragen was f 37.775,-- verzekerd. De eerste der branden had plaats op 6 juni 1864 waarbij in minder dan 12 uur 12 huizen en 5 schuren in de as werden gelegd. De tweede brand vond plaats op 11 juni 1864 waarbij 5 huizen en 1 schuur afbrandden.
Tussen 11 juni en 15 augustus van dat jaar is in één huis vijfmaal brand uitgebroken, maar telkens geblust. Op 15 augustus 1864 werd vlakbij een schuurtje een klomp gevonden met daarin in een kooltje vuur en een bosje zwavelstokken, hetwelk, hoewel brandende, geen schade heeft aangericht. Al deze branden moeten aan kwaadwilligheid worden toegeschreven. De politie, hoe ijverig en werkzaam ook, kon geen genoegzame grond vinden om iemand als de schuldige te kunnen aanmerken, aldus het jaarverslag over 1864 van de gemeente Sprang, waaraan deze gegevens zijn ontleend.
Op 5 januari 1892 is 's avonds omstreeks half acht door een onbekende oorzaak een felle brand uitgebroken in de door de eigenaar bewoonde landbouwerswoning en schuur van
J. van Uithoeven (staande nabij de Sprangse kerk) welk pand met nagenoeg alles wat er zich in bevond in korte tijd een prooi der vlammen werd, o.a. zijn omgekomen 7 koeien, 1 kalf en 2 paarden. De schade bedroeg volgens opgave ruim f 6.000,-- terwijl men niet tegen brandschade was verzekerd.
Een uitzonderlijk grote brand vond plaats op 29 juli 1921, nabij de hervormde kerk in Sprang. Wij verwijzen hiervoor naar het verslag daarvan in ‘De Echo van het Zuiden’, dat wij in extenso laten volgen: