ONZE TIJD IN LABBEGAT
Zomer 1944 - medio 1945

Mevr. A.J. van de Veeken-van Gils

Opgejaagd uit Geertruidenberg kwamen we, een schippersfamilie, met ons motorschip ‘Antruso’ via Drimmelen aan in Labbegat, een buurtschap in Sprang-Capelle met een haventje, dat aansluiting had op het Oude Maasje.Reden voor ons vertrek was, dat wij vluchtten uit angst voor vordering van ons schip door de bezetters.
De Duitse bezettende macht wilde ons schip gebruiken voor de ‘Kriegsmarine’. In Labbegat dachten we wat meer rust te vinden. We waren niet alleen in de haven: twee andere families lagen er ook: de fam. Wolst, drie personen sterk, met het ms. ‘Avanti’ en de fam. Meyer met het ms. ‘Fourasie’. Ons gezin, Van de Veeken, 5 personen, woonde op het ms. ‘Antruso’. Natuurlijk waren er ook kinderen bij. Ze speelden in die tijd met allerlei oorlogstuig, zeer gevaarlijk.
We werden meteen gastvrij ontvangen door de bevolking, ze hielp ons met allerlei spullen. Maar de rust, waarvoor we kwamen, viel bar tegen: we waren slechts enkele dagen ondergedoken of we hoorden van de executie van burgemeester Moonen en enige inwoners van Waalwijk. Dat was een teken aan de wand. Achteraf bleek dat we precies in een gevaarlijke zone terechtgekomen waren.
Eerst zagen we alleen nog maar vliegtuigen, die overvlogen. Daarna kregen we te maken met enige incidenten. Wat we van de overvliegende geallieerde machines nog weten is, dat er zilverpapier naar beneden kwam dwarrelen. Later vernamen we dat dit gebruikt werd ter misleiding van de Duitse radar.
Ook gooiden de Engelse en Amerikaanse vliegtuigen lichtkogels uit ter oriëntatie en bespieding. Door zo'n kogel is zelfs nog een loods van de fa. Oerlemans te Labbegat in brand gevlogen.
Op een middag zagen we een vliegtuig neerstorten. Het vloog rakelings over de loodsen van de bouwmaterialenhandel Oerlemans en kwam in een wei terecht. Het scheelde maar net of het was in onze haven terechtgekomen.
De omwonenden vlogen als kippen op het vliegtuig af, en in een mum van tijd was het leeggeplunderd door de bevolking. Ook de schipper had zijn deel. De piloten kwamen met de schrik vrij en vluchtten ‘De Dullaert’ in. Daar zijn ze waarschijnlijk door de ondergrondse afgevoerd naar veiliger streken. We hebben hen nog achter op een fiets gezien.
Maar de Duitsers hadden nog steeds de touwtjes in handen. Enige tijd later probeerden ze alsnog ons schip te vorderen.
Maar door sabotage van de schipper en de bevolking kwamen ze er toch niet mee weg. De familie was intussen met heel haar hebben en houden ondergedoken in de loods van de firma Oerlemans. Later kreeg ze onderkomen bij verschillende families te Labbegat.
de antrusoDe Duitsers waren niet lang in het bezit van het schip. Door de opmars van de Geallieerden moesten ze over de Winterdijk vluchten.
Schipper Van de Veeken had zich intussen vermomd als boerenknecht, want hij dacht zo niet herkend te worden. Hij had nl. ondanks dat het schip gevorderd was, nog olie uit het schip gehaald en uitgedeeld aan de burgers en boeren op Labbegat. Daartegenover kreeg hij weer eieren en melk van de boeren. Hij durfde zich echter niet te laten zien en bleef daarom op de boerderij van D. van Pelt.De Duitsers hadden hem blijkbaar toch herkend, kwamen naar de boerderij en zeiden hem dat hij weer zijn intrek kon nemen op het schip, omdat zij vertrokken.
Zo ging de familie weer aan boord. Maar ook deze rust was van korte duur. De schipper beducht voor nieuwe aanvallen, had intussen zijn schip ingepakt met strobalen.
De strijd ging gewoon door. De familie kreeg afwisselend te maken met beide partijen: de ene nacht waren er Duitsers, de andere nacht waren er Geallieerden aan boord.
Op een nacht midden in de winter, het had hard gesneeuwd,werd de schipper wakker en zag tot zijn verbazing dat het rondom volstond met Canadese tanks, die 's nachts wit geschilderd waren. Ook de soldaten hadden een wit uniform. Ze trokken naar de Maas en installeerden afweergeschut vlakbij de haven.
Bij de Maas werd toen vreselijk gevochten. Langs het schip kwamen rijen brancards met doden en gewonden. Het was een vreselijk gezicht. Later zagen we andere gezichten: verschillende regimenten Polen en Schotten (mét rokjes) trokken op, vol moed, naar het front. De Polen kwamen zich regelmatig wassen of koffie drinken op het schip. Eens kwamen er twee Polen een beetje bijpraten. Na een gezellig uurtje gingen ze weer weg. Anderdaags vernamen we van enigen van hun kameraden, dat ze bij vergissing doodgeschoten waren door leden van het zelfde peloton.
We zaten midden in het oorlogsgeweld; links en rechts vlogen de kogels ons om de oren. 's Nachts konden we niet slapen van de bommen en de V I's die overvlogen. Het was een bange tijd en het eten was schaars.
Op een keer toen er weer eten nodig was, gingen de schipper en zijn vrouw weer eens op pad. De kinderen bleven thuis, en speelden met allerlei voorwerpen die her en der verspreid lagen. Door gevaarlijk spel met benzine werd één van de kinderen aan hoofd, handen en benen ernstig gewond. ‘Geen nood!’ zeiden de geallieerde soldaten. Zij zetten hem in een tank en vervoerden hem naar een militair noodhospitaal. Door goede verzorging is toen alles nog goed gekomen. De Geallieerden hadden zich intussen stevig gevestigd en trokken later de Maas over.

Hier eindigt mijn relaas.

Onze dank gaat uit naar de bevolking van Labbegat, die ons in die bange tijd heeft bijgestaan, met name: de families de Rhoon, van Pelt, Oerlemans
en Meyer.
Mevr. A.J. van de Veeken-Van Gils Wilhelminaplein 11 GEERTRUIDENBERG